"Measurable residual disease" (MRD) bij APL kan vervolgd worden middels PCR PML-RARα met een gevoeligheid van 10-4 tot 10-5.

Na eerstelijnsbehandeling APL


Na het afsluiten van de inductie- en consolidatiebehandeling dient de PCR bij voorkeur negatief te zijn op bloed en beenmerg. Na de inductiekuren heeft een persisterende PCR nog geen consequenties voor de behandeling en dient door gegaan te worden naar de consolidatiekuren.

Een blijvende positieve PCR voor PML-RARα, dat wil zeggen na de afronding van de consolidatie kuren, vereist aanvullende behandeling. Een allogene SCT moet in dat geval sterk worden overwogen.

Na behandeling recidief APL


Re-inductiebehandeling met ATO-ATRA leidt tot een remissie bij 85-90% van de pati├źnten. Er wordt in het algemeen verondersteld dat aansluitend aan de tweede CR nog een aanvullende behandeling noodzakelijk is. Het type van behandeling wordt mede bepaald door de remissie-status na re-inductie (MRD status). 

Bij een negatieve kwantitatieve PCR voor PML-RARα kan volstaan worden met een autologe SCT. Bij een positieve PCR voor PML-RARα na re-inductiebehandeling dient een allogene SCT overwogen te worden.

Follow up


Bij laag en intermediair risico APL is na het bereiken van een MRD negatieve status geen follow up nodig.

Follow up is geïndiceerd bij hoog risico APL en na allogene SCT. In dat geval dient de PCR gedurende 2 jaar na behandeling elke 3 maanden verricht te worden.


Ga terug naar de APL homepage of lees meer over APL: Ga terug naar de algemene homepage Behandelprotocollen