Paroxysmale nachtelijke hemoglobinurie (PNH) is een zeldzame ziekte met een incidentie van naar schatting 1-2 op de miljoen nieuwe patiënten per jaar. PNH komt het meest voor bij volwassenen tussen de 30 en 50 jaar, maar de aandoening kan op iedere leeftijd voorkomen. Het is een zeldzame verworven aandoening van het beenmerg met een variabel klinisch beeld.

PNH ontstaat door een verworven mutatie in het PIG-A gen in de hematopoietische stamcel. Door deze mutatie wordt de vorming van het glycosyl­phospha­tidylinositol (GPI)-anker verstoord in alle cellen afkomstig van deze stamcel. Hierdoor komen GPI-verankerde eiwitten verminderd of helemaal niet meer tot expressie op de celmembraan van deze bloedcellen.

Het gedeelte van de cellen dat aangedaan is door de mutatie, de PNH kloon, kan variëren tussen de patiënten. De grootte van de PNH kloon is een van de factoren die bijdraagt aan de variabiliteit van het klinisch beeld. In de loop van de tijd kunnen zich bij de patiënt veranderingen voordoen in de kloongrootte en ook in de mate van been­merg­falen. Daarmee veranderen dan ook de symptomen. De drie belangrijkste kenmerken van PNH zijn intravasculaire hemolyse, verhoogde kans op trombose en de aanwezigheid van beenmergfalen. 

Hemolyse


De afwezigheid van de GPI-verankerde eiwitten CD55 en CD59 op de membraan van de erytrocyt leidt tot complement gemedieerde hemolyse. 

Trombose


De pathofysiologie van PNH gerelateerde trombose is complex en niet volledig opgehelderd. Complement­activatie kan direct leiden tot activatie van de trombocyten. Daarnaast kan complement­activatie indirect de trombocyten­activatie stimuleren. Dit ontstaat doordat de activatie van complement kan leiden tot inflammatie, wat endotheel­dysfunctie geeft. Daarnaast zorgt hemolyse er voor dat vrij hemoglobine en arginase vrijkomen, dit resulteert in stikstof­depletie. Stikstof­depletie veroorzaakt ook trombocyten­activatie. Tot slot zijn er meerdere direct en indirect met het GPI-anker verbonden eiwitten, die een rol spelen bij trombose­vorming dan wel invloed op de fibrinolyse hebben. Vóór de ontwikkeling van complementremmers was trombose de meest voorkomende oorzaak van permanente morbiditeit en mortaliteit bij PNH patiënten. 

Beenmergfalen


Een PNH kloon wordt vaak gevonden bij aplastische anemie (ongeveer 50%). Aplas­tische anemie kan zich ook in het beloop van de PNH voordoen. PNH klonen zijn ook beschreven bij het myelodysplastisch syndroom, maar veel minder frequent. Myelodysplastisch syndroom en leukemie kunnen zich ook in het beloop van de PNH voordoen, maar in een klein percentage.


Ga terug naar de PNH homepage of lees meer over PNH: Ga terug naar de algemene homepage Behandelprotocollen.