Primaire profylaxe filamenteuze schimmels

Doelgroep

Er wordt geen standaard primaire profylaxe gegeven. In plaats daarvan wordt een diagnostische aanpak gehanteerd. Enige uitzonderingen zijn:

  • Patiënten met GvHD waarbij langdurige behandeling met corticosteroïden geïndiceerd is
  • Patiënten met >3 weken neutropenie als gevolg van behandeling met hypomethylerende agentia (decitabine/azacitidine)
  • Patiënten die behandeld worden met een combinatie van hypo­methylerende agentia en venetoclax
  • Patiënten met persisterende aplasie na inductie en/of consolidatiekuur voor AML of MDS
  • Patiënten die neutropenie inducerende therapie ontvangen voor recidief AML of MDS ná eerdere  allogene SCT <1 jaar

Medicatie

Posaconazol:

  • Oraal (tablet): oplaad 2 dd 300 mg, 1 dag, waarna 1 dd 300 mg
  • Intraveneus (altijd via CVC): oplaad 2 dd 300 mg, 1 dag, waarna 1 dd 300 mg

Streef bij profylaxe naar posaconazol dalspiegel >0,7 mg/l. Eenmalig 3 tot 4 dagen na start bepalen, daarna op indicatie (vermoeden falen profylaxe of optreden van toxiciteit).

Nota bene: tabletten en suspensie zijn niet 1:1 uitwisselbaar.

Secundaire profylaxe filamenteuze schimmels

Doelgroep

Alleen patiënten die al eerder een bewezen of waarschijnlijke schimmelinfectie (filamenteuze schimmel) hebben doorgemaakt die:

  • een allogene SCT krijgen
  • intensieve behandeling voor AML of MDS ondergaan waarbij een neutropenie (granulocyten <0,5*109/l) gedurende tenminste 7 dagen wordt verwacht
  • decitabine kuren krijgen met een verwachte neutropenie duur >3 weken

Medicatie

Posaconazol:

  • Oraal (tablet): oplaad 2 dd 300 mg, 1 dag, waarna 1 dd 300 mg
  • Intraveneus (altijd via CVC): oplaad 2 dd 300 mg, 1 dag, waarna 1 dd 300 mg

Streef bij profylaxe naar posaconazol dalspiegel >0,7 mg/l. Eenmalig 3 tot 4 dagen na start bepalen, daarna op indicatie (vermoeden falen profylaxe of optreden van toxiciteit).

Nota bene: tabletten en suspensie zijn niet 1:1 uitwisselbaar.

Start en duur:

  • Bij allogene SCT: 1 dag na het staken van de conditionering tot 3 maanden na de SCT of zolang immuunsuppressieve medicatie gebruikt wordt
  • Bij intensieve behandeling voor AML of MDS: na afronden van de chemokuur (anthracyclines) tot het einde van de neutropenie (granulocyten >0,5*109/l)

Profylaxe PJP

Doelgroep

  • Patiënten die behandeld worden voor een lymfocytaire maligniteit met hoge dosis corticosteroïden al dan niet in combinatie met cytostatica. Bijvoorbeeld PAD, bortezomib / dexamethason, IMIDs, proteosoomremmers, CD38-remmers, teclistamab, (R-)CHOP-14, (R-)DHAP, (R-)MBVP (indien langer voorbehandeld met dexamethason), DA-EPOCH-R en SMILE
  • Patiënten die behandeld worden met (R-)bendamustine
  • Patiënten die behandeld worden met idelalisib
  • Patiënten die behandeld worden met monoclonale antilichamen gericht tegen T-lymfocyten. Bijvoorbeeld alemtuzumab en anti-thymocyten globuline (ATG) of purine-analoga zoals fludarabine en cladribine
  • Patiënten met ALL die kuren met hoge dosis steroïden krijgen en patiënten in onderhoudsfase volgens HOVON 100
  • Patiënten die een autologe of allogene SCT ondergaan
  • Patiënten die CAR-T-celtherapie ondergaan
  • Patiënten met GVHD waarvoor corticosteroїden

Medicatie

Co-trimoxazol 1 dd 480 mg p.o.

Alternatieven indien co-trimoxazol gecontraïndiceerd:

  • Pentamidine verneveling (150 mg gevolgd door 300 mg na 14 dagen en daarna elke maand 1 keer vernevelen met 300 mg)
  • Atovaquone 1500 mg/dag p.o. (verdeeld over 1 of 2 doses)
  • Dapson 1 dd 100 mg p.o.

Start en duur:

  • Lymfocytaire maligniteit behandeld met hoge dosis corticosteroïden al dan niet in combinatie met cytostatica: bij aanvang kuur tot 4 weken na laatste kuur
  • Behandeling met monoclonale antilichamen gericht tegen T-lymfocyten en purine-analoga zoals fludarabine, cladribine: bij aanvang kuur tot 12 maanden na behandeling
  • Behandeling met idelalisib: bij aanvang kuur tot 3 maanden na staken
  • Behandeling met bendamustine: bij aanvang kuur tot 6 maanden na staken
  • Autologe SCT: na repopulatie tot 3 maanden na de SCT. Bij gebruik van ATG in de conditionering tot 12 maanden na de SCT
  • Allogene SCT, conditionering zonder ATG: na repopulatie tot 6 maanden na de SCT
  • Allogene SCT, conditionering met ATG (inclusief FLAMSA-RIC): na repopulatie tot 12 maanden na de SCT
  • Allogene SCT, conditionering met posttransplantatie cyclofosfamide: na repopulatie tot 6 maanden na de SCT
  • CAR-T-celtherapie: tot 3 maanden na CAR-T-celtherapie
  • Bij GvHD: tot het staken van immuunsuppressieve medicatie
  • Duur van de profylaxe eventueel verlengen bij laag CD4 getal!

 

Ga terug naar de Infectieprotocol homepage of lees meer over het infectieprotocol:

Ga terug naar de homepage Behandelprotocollen.